We spreken graag over discriminatie alsof het iets van ver weg is.
Alsof het gaat over cijfers, beleid en statistieken.
Maar ondertussen worden vrouwen hier, vandaag, nog altijd behandeld als lichamen.
Niet als mensen.
Een vrouw wordt van haar fiets gesleurd en verkracht.
Niet in een oorlogsgebied.
Niet “ergens anders”.
Hier.
En morgen is er weer een andere.
De dader houden ze misschien wel vast,
misschien ook niet.
Tieners staan in een kring terwijl iemand in elkaar geslagen wordt.
Ze filmen.
Ze kijken.
Ze lachen.
Niemand grijpt in.
Geweld, het nieuwe normaal.
En wij, vrouwen.
Wij leren al vroeg om voorzichtig te zijn.
Niet te luid.
Niet te zichtbaar.
Niet te vriendelijk, want dat kan verkeerd begrepen worden.
Niet te afstandelijk, want dat maakt je koud.
We leren dat onze grenzen onderhandelbaar zijn.
Dat nee soms, misschien betekent.
Dat ons lichaam publieke ruimte is.
Dat onze angst overdreven is,
en onze boosheid hysterisch.
We worden bekeken.
Beoordeeld.
Geclaimd.
En als er iets gebeurt,
wordt eerst gevraagd wat wij daar deden.
Wat wij droegen, en
waarom wij daar waren.
Dit is geen incident.
Dit is een systeem.
Een systeem waarin vrouwen nog altijd te vaak worden herleid tot vlees.
Tot object.
Tot prikkel.
Tot bezit.
Dit is geen mannenhaat,
maar een roep om menselijkheid.
Want zolang vrouwen zich moeten aanpassen om veilig te blijven,
zolang meisjes leren dat hun lichaam gevaarlijk terrein is,
zolang geweld bekeken wordt in plaats van gestopt,
is dit land niet zo beschaafd als het zichzelf graag noemt.
Misschien is echte beschaving niet hoe goed we praten,
maar hoe snel we opstaan wanneer iemand valt.